Geschiedenis

Luchtdoelartillerie
Geschiedenis

Vlak vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog werden voor het eerst vliegtuigen ingezet, niet alleen voor verkenningen, om grondtroepen aan het front te bestoken maar om ook om doelen in het achterland, zoals de wapenindustrie en bevolkingscentra, aan te vallen. Al spoedig ontwikkelden de oorlogvoerende naties verdedigingsmaatregelen. De vliegtuigen vanaf de grond beschieten was er daar één van.

Periode 1917 – 1940
Nederland was niet blind voor deze ontwikkelingen. De luchtdoelartillerie (LuA) is ontstaan uit de vestingartillerie. Luitenant Maas, vestingartillerist te Ooltgensplaat, kreeg tijdens de Eerste Wereldoorlog de opdracht om afweergeschut te ontwikkelen tegen de luchtdreiging. Zijn resultaten leidden in 1917 tot de oprichting van de Luchtafweer Afdeeling (LAA). De beginjaren kenmerkten zich door experimenteren en scholing. Experimenteren, omdat het niet eenvoudig bleek om op doelen te schieten die zich in de lucht verplaatsten. De scholing werd vanaf 1922 gegeven in de voormalige Hojelkazerne in Utrecht. Het Korps Luchtdoelartillerie, waarin de voormalige Luchtafweer Afdeeling, de Motor Luchtafweer Batterij en het Vrijwillig Landstormkorps Luchtwachtdienst waren opgenomen, werd op 26 mei 1922 opgericht.
hcglvd.nl-/plaatjes/Proef_kanon_lua_(Aangepast).webp
Experimentele opstelling (foto:Beeldbank Nederlands Instituut voor Militaire Historie, NIMH)

Tot medio de jaren '30 van de vorige eeuw had de Nederlandse regering weinig gedaan om de krijgsmacht inclusief de luchtverdediging op te bouwen. De crisis uit de jaren dertig, het oprichten van de ‘Volkenbond’ (voorloper van de VN) en de Nederlandse neutraliteit waren daar debet aan. Toen Duitsland zijn leger weer begon op te bouwen en vervolgens delen van Europa inlijfde werd de toestand als zorgelijk beschouwd. In zeer korte tijd werd getracht de Nederlandse luchtverdediging op te bouwen. Er werden niet alleen luchtdoelartilleriebatterijen geformeerd en uitgerust, ook luchtdoelmitrailleurcompagnieën en zoeklichtbatterijen werden opgericht en voorzien van uitrustingstukken. De luchtdoelmitrailleurcompagnieën werden bijvoorbeeld voorzien van ‘Schwarzlose’ mitrailleurs die de Duitsers in 1918 na hun capitulatie hadden moeten inleveren bij hun doortocht vanuit België naar Duitsland. Door het tekort aan financiële middelen werden zelfs de Luchtafweerdienst (LAD) en de Luchtwachtdienst (LWD) vanuit de vrijwilligers van het Landstormkorps opgericht. Dit waren burgers die een militaire opleiding kregen ten behoeve van de luchtverdediging. De LAD had bijvoorbeeld in de grote steden (Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Amsterdam, Zaandam en Leeuwarden) een aantal pelotons uitgerust met 2cm geschut ten behoeve van de verdediging van fabrieken, die dit overigens ook zelf bekostigden.
De totale luchtverdediging van Nederland (het Commando Luchtverdediging) werd in mei 1940 gecommandeerd door generaal-majoor P.W. Best (1881-1960) en bestond uit: De Duitse aanval op Nederland in mei 1940 was als volgt gepland: drie aanvalsgolven met vliegtuigen via de Noordzee moesten de Nederlandse vliegvelden in de Vesting Holland uitschakelen, luchtlandingseenheden moesten een corridor forceren vanaf het Hollands Diep bij Moerdijk via Dordrecht en Rotterdam naar Den Haag (regeringscentrum) en grondeenheden zouden via de Peel–Raamstelling (Mill) doorstoten door Noord-Brabant naar Moerdijk, Rotterdam en Den Haag en dit alles in zo’n 24 uur tijd. Secundaire aanvallen vonden plaats over de as Arnhem-Rhenen (Grebbeberg) en over de Afsluitdijk.
De Brigade Luchtdoelartillerie beschikte op 10 mei 1940 over de volgende middelen: Door de tegenvallende resultaten (ruim 300 vliegtuigen gingen verloren, zware tegenstand bij de Grebbelinie en de Maasbruggen in Rotterdam, geen doorkomen aan bij Kornwerderzand) besloten de Duitsers na drie dagen de weerstand van Nederland te breken met het bombardement op Rotterdam en daarna eventueel op Utrecht. Na vijf dagen strijd besloot Nederland te capituleren en hiermee kwam een einde aan de vooroorlogse LuA in Nederland.
hcglvd.nl-/plaatjes/7-5tl_stelling_mobilisatie.webp
Batterij 7,5TL met een Schwarzlose M.08 mitrailleur in stelling tijdens de mobilisatie 1939-1940 (foto: Beeldbank NIMH)

Inzet in Nederlands-Indië 1941 - 1942
Ook in Nederlands-Indië duurde het lang totdat de opbouw van de luchtverdediging een aanvang nam. In 1922 werd weliswaar de Compagnie Vestingmitrailleurs (later Stellingmitrailleurs) opgericht, maar het duurde tot 1932 eer er vier Bofors 10,5cm L44 kanonnen voor de verdediging van de marinebasis Soerabaja werden aangeschaft. In 1933 werd het Korps Kust- en Luchtdoelartillerie opgericht. Geleidelijk werden meer middelen aangeschaft: in 1934 140 stuks Colt/Browning M.30 .50 mitrailleurs, in 1936 acht Bofors 8cm kanonnen en in 1936 72 stuks Bofors 4cm (40L60) en nog eens 32 Bofors 8cm kanonnen. Ook werden in 1937 drie zoeklichtcompagnieën aan het arsenaal toegevoegd. Bij een reorganisatie in 1939 werden drie Afdelingen Luchtdoel geformeerd: ieder één in Batavia, Soerabaja en Bandoeng. Drie maanden vóór de Japanse invasie was het totale bestand aan luchtafweermiddelen: vier stuks 10,5cm, 28 stuks 8cm, 40 stuks 4cm, 30 stuks 2cm (Rheinmetall/Solothurn) en 140 M.3 mitrailleurs, dit alles voor een gebied dat ongeveer 45 keer de oppervlakte van Nederland had. Hiermee werd een statische verdediging gerealiseerd bij vliegvelden, havens, raffinaderijen en andere belangrijke objecten. Het veldleger had de beschikking over vier gemotoriseerde pelotons luchtdoelmitrailleurs. Tijdens de strijd met de Japanners leed de luchtdoelartillerie, later op Sumatra en Java nog geassisteerd door Britse luchtdoelartillerie-eenheden, zware verliezen. Zo werden op 19 januari 1942 215 luchtdoelartilleristen door de Japanners geëxecuteerd. Tegenover deze verliezen stonden weinig successen: slechts 12 Japanse jachtvliegtuigen en 7 bommenwerpers werden neergehaald.
hcglvd.nl-/plaatjes/chevvie_punt50_west_java_1941.webp
Chevrolets met .50 mitrailleurs op West-Java, 1941 (foto: Beeldbank NIMH)

Inzet in Nederlands-Indië 1947 - 1949
Na de oorlog lag de prioriteit voor Nederland bij het behouden van Nederlands-Indië en de strijd tegen de opstandelingen daar. In 1946 werden in Nederland drie regimenten luchtdoelartillerie opgericht, waarvoor voorzien was dat die in Nederlands-Indië zouden worden ingezet tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. In 1947 werd de Luchtdoelartilleriegroep Militaire Luchtvaart (LuA Gp ML) opgericht. In oktober 1948 ontplooide het 1e Regiment Luchtdoelartillerie onder leiding van reserve luitenant-kolonel C. H. Cornegoor (die in mei 1940 rechterhand van generaal Best was) met drie afdelingen naar de Oost met als primaire taak het beschermen van de vliegbases Tjilitan, Kemajoran en Andir. Het 1e Regiment Luchtdoelartillerie bestond uit drie afdelingen van elk 3 batterijen te weten 2 batterijen 40L60 en 1 batterij 2cm Hispano Suiza. De totale vuurkracht bestond uit 18 vuurmonden 40L60 en 9 stukken 2cm Hispano Suiza. Aangezien de de ‘Tentara Nasional Indonesia’ (het bevrijdingsleger) niet over vliegtuigen beschikte werd het 1e Regiment Luchtdoelartillerie omgevormd tot 6 batterijen die zelfstandig werden meegestuurd als vuursteun met operaties van de divisie tijdens de politionele acties. De rest van het Luchtdoelartilleriepersoneel werd ingedeeld bij de Vaartuigendienst van de Koninklijke Marine voor hand- en spandiensten bij bevoorradings- en logistieke operaties in de gehele archipel. Het 2e Regiment Luchtdoelartillerie is ook uitgezonden naar Nederlands-Indië, doch zonder materieel. Bij deze actie sneuvelden circa 20 personeelsleden/militairen van de LuA Gp ML. In december 1949, vlak voor de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, werden de luchtdoelartilleristen teruggetrokken naar Nederland.
hcglvd.nl-/plaatjes/40mm_merdingding_1949.webp
Een 40L60 in actie in Merdingding, Nederlands-Indië (foto: Beeldbank NIMH)

Opbouw van de luchtdoelartillerie tussen 1950 en 1958
Nadat Nederland in 1949 lid van de NAVO was geworden en veel materiële steun had gekregen van een aantal bondgenoten werd verlangd dat Nederland ook zijn steentje zou bijdragen aan de verdediging van West-Europa. Gezien de ligging van ons land en de aanwezigheid van grote zeehavens moest de aanvoer van goederen ten behoeve van de geallieerden gegarandeerd zijn. Er werd besloten een luchtverdedigingssysteem op te zetten dat hieraan zou voldoen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland nog geen lid was van de NAVO lag de voorste verdediging van de NAVO in ons land: langs de IJssel en Rijn. In 1948 werd de Brigade Luchtdoelartillerie opgericht met het doel Nederland tegen luchtaanvallen te verdedigen. In 1949 werd het Commando Luchtdoelartillerie opgericht. Vanaf 1953 vielen alle territoriale en opleidingseenheden onder dit commando. Omdat onder het Mutual Defense Assistance Program ook zware luchtdoelkanonnen (Amerikaanse 90mm en Britse 3.7 inch) aan Nederland werden geleverd, werden er Zware Luchtdoelartillerieafdelingen geformeerd. De Lichte Luchtdoelartillerieafdelingen waren uitgerust met 40mm (40L60) en 20mm kanonnen en .50 mitrailleurs. De territoriale luchtdoelartillerie had een voorziene sterkte van 10 afdelingen zware en 49 afdelingen lichte luchtdoelartillerie. De transportmiddelen voor de territoriale luchtdoelartillerie waren beperkt en ondergebracht in transportpelotons die meerdere afdelingen moesten bedienen. De luchtdoelartillerie-eenheden van het veldleger ressorteerden onder het Commando Strijdkrachten te Velde (CSV), vanaf 1952 Commando 1e Legerkorps (1Lk). Voor het legerkorps waren 15 afdelingen mobiele luchtdoelartillerie voorzien, deels zware (maar wel mobiele) en deels lichte luchtdoelartillerie. Er werd dus onderscheid gemaakt tussen territoriale en mobiele luchtdoelartillerie, en tussen zware en lichte luchtdoelartillerie.
Ná de inzet in Nederlands-Indië werd in 1950 een reorganisatie doorgevoerd met de oprichting van zes Regimenten Luchtdoelartillerie. De naamregimenten ‘Waalhaven’, ‘Rhenen’ en ‘Ypenburg’ vormden de zware luchtdoelartillerie, ‘Kornwerderzand’, ‘Betuwe’ en ‘Hoek van Holland’ vormden de lichte luchtdoelartillerie (‘Hoek van Holland’ ging later over naar de zware luchtdoelartillerie). De zes regimenten werden in 1956 weer opgeheven en gingen op in het net opgerichte Korps Luchtdoelartillerie, dat een organieke sterkte (d.w.z. paraat en mobilisabel personeel) van ruim 70.000 militairen zou bereiken en daarmee het op één na grootste wapen van de landmacht was. In de beginperiode werd gebruik gemaakt van Brits, Amerikaans en Canadees materiaal en was de organisatie Brits georiënteerd. De luchtdoelartillerie beschikte over een allegaartje van wapensystemen, vuurleidingsapparatuur (radars) en voertuigen.
Rond 1958 trad een mate van standaardisatie op qua uitrusting. Die bestond nu uit 90mm kanonnen met 4Mk6 en 3Mk7 radars en Contraves F90 richt- en rekentoestellen voor de zware luchtdoelartillerie en een combinatie van 40L60 (aangevuld met de verbeterde Bofors 40L70) kanonnen en M63 en M55 .50 inch mitrailleurs, met ‘Tipsy’, ‘Waxy’, ‘Vuxy’ en de modernere L4/3 (van Hollandse Signaalapparaten) radars voor de lichte luchtdoelartillerie. Het aantal beoogde eenheden werd echter bij lange na niet gehaald: slechts 9 van de 10 afdelingen territoriale zware luchtdoelartillerie en 22 (14 parate en 8 mobilisabele) van de 49 voorziene afdelingen territoriale lichte luchtdoelartillerie. De luchtverdediging binnen het in 1958 opgerichte Commando Territoriale Luchtdoelartillerie was verdeeld over vier luchtverdedigingskringen (LVKn), die een groot rayon konden bestrijken:
Een aantal afdelingen Lichte Luchtdoelartillerie had een taak buiten kringverband, bijvoorbeeld voor de verdediging van vliegbases. Deze afdelingen vielen onder de BOABK (Bevelvoerend Officier Afdelingen Buiten Kringverband).
hcglvd.nl-/plaatjes/90mm_in_stelling.webp
90mm kanon Zware LuA in stelling (foto: Beeldbank NIMH)

De luchtdoelartillerie van het 1e Legerkorps was wat organisatie betrof ondergebracht bij 101 Luchtdoelartilleriegroep (Luagp). De 15 afdelingen hadden taken in het legerkorpsgebied. Van de 15 afdelingen zijn er maar 11 gerealiseerd. Een bijzonder taak voor 101 Luagp was de bescherming van de geheime ‘Plannen C en D’; de stuwen bij Arnhem en Nijmegen respectievelijk bij Olst, waarmee de IJsselvallei in een voor de vijand niet te nemen waterhindernis kon worden omgevormd. In juli 1958 verschoof de hoofdverdedigingslinie van de NAVO naar de Weser en Fulda, waarmee de Rijn-IJssel linie haar belang verloor. Inmiddels was wel duidelijk geworden dat de zware luchtdoelartillerie geen effectieve bijdrage meer kon leveren aan de luchtverdediging. Haar rol zou worden overgenomen door grond-lucht geleide raketten. In de jaren 1959 -1960 werden de zware luchtdoelartillerieafdelingen ontbonden.

De luchtdoelartillerie in Nederlands Nieuw-Guinea 1958 - 1962
In 1958 werd de 936e Afdeling Lichte Luchtdoelartillerie Territoriaal uitgezonden ter bescherming van het eiland Biak met daarop het vliegveld ‘Boroekoe’, de marinehaven en het zenderpark van de marine. De afdeling droeg per 1 oktober 1958 de naam ZAB (Zelfstandige Afdeling Biak). Per 1 juni 1960 werd de naam van de afdeling veranderd in de 7e Afdeling Lichte Luchtdoelartillerie en viel zij onder het Commando Zeemacht Nederlands Nieuw-Guinea (CZNINNG). Dit commando werd per 1 november 1961 omgedoopt tot Commando Strijdkrachten in Nederlands Nieuw-Guinea, (COSTRING) waaronder het Commando Luchtverdediging Nederlands Nieuw-Guinea (CLVNNG) viel.
Aangezien deze ene afdeling onvoldoende was voor het gehele gebied volgde versterking in het voorjaar van 1962 met 928e en 940e Afdeling Lichte Luchtdoelartillerie Territoriaal. Beide afdelingen waren voorzien van een 4Mk6 waarschuwingsradar. 940 ging naar Sorong en 928 ter versterking van de 7e Afdeling op Biak, kleinere eenheden met M55 vierlingmitrailleurs en 40L60 stukken kwamen als H-Peloton terecht in Hollandia, als J-Peloton op het eiland Jefman en als N-Peloton op Noemfoer. Na het staakt-het-vuren van 18 augustus 1962 keerden de eenheden in de loop van oktober 1962 terug naar Nederland. Het meeste materieel van deze afdelingen (40L60 en 20mm kanonnen) werd afgeschreven en in zee gedumpt.
hcglvd.nl-/plaatjes/Sorong_west_papua_1962.webp
40L70 te Sorong, Nieuw-Guinea (foto: Beeldbank NIMH)

Ontwikkelingen 1964 – 1978
In 1964 kwam er een eind aan de territoriale luchtverdediging in Nederland. Enerzijds door het opschuiven van de hoofdverdedigingslinie van de NAVO in 1958 naar de Weser en Fulda en vanaf 1963 naar de Elbe, anderzijds door de introductie van het NATO Integrated Air Defence System (NATINADS), waarin de NAVO verantwoordelijk werd voor de integrale luchtverdediging in het NAVO-luchtruim. Nationale luchtverdediging behoorde tot het verleden. Voor Nederland betekende dat de opheffing van het Commando Territoriale Luchtverdediging en concentratie van de luchtdoelartillerie bij het 1e Legerkorps. Diens 101e Luchtdoelartilleriegroep bestond nu uit drie parate en drie mobilisabele afdelingen.
Paraat:  Mobilisabel: Vanaf 1966 werden drie pelotons vierlingmitrailleur M55 opgericht ten behoeve van de Brigades van het 1e Legerkorps (1Lk), aangezien de afdelingen lichte luchtdoelartillerie bestemd waren voor de verdediging van de hoofdaanvoerwegen en het achtergebied van 1Lk (bruggen, opslagplaatsen). De drie pelotons vierlingmitrailleurs waren:
hcglvd.nl-/plaatjes/l45_en_40l70_wijhe,_1967_(Aangepast).webp
L4/5 en 40L70 op oefening aan de IJssel bij Wijhe (foto: beeldbank NIMH)

Luchtverdediging Legerkorps 1978 - 1993
Het legerkorps beschikte weliswaar over luchtdoelartillerie doch met de beschikbare 40L70-kanonnen met hun L4/5 radars kon deze slechts worden ingezet voor de verdediging van (semi)statische objecten zoals verzamel- en bevoorradingsgebieden, commandoposten et cetera. Voor de luchtverdediging ‘aan het front’ was een drietal eenheden, uitgerust met de .50 M55 vierlingmitrailleurs, beschikbaar. Om tegemoet te komen aan de wens de manoeuvre-eenheden van het 1e Legerkorps (1Lk) van een betere luchtverdediging te voorzien, werd vanaf 1978 de Pantser Rups Tegen Luchtdoelen (PRTL) ingevoerd. Tegelijkertijd nam de luchtmacht de luchtverdediging van haar vliegbases zelf ter hand, waardoor twee afdelingen weer ter beschikking kwamen voor 1Lk. Vanaf 1984 vond een verdere versterking van de luchtverdediging bij 1Lk plaats door de invoering van het STINGER wapensysteem. Het STINGER wapensysteem werd in nevenfunctie bediend door de bemanning van de PRTL. Vanaf 1984 werd de luchtverdediging van 1Lk gevormd door de 101e Luchtdoelartilleriegroep bestaande uit drie afdelingen pantserluchtdoelartillerie (15e, 25e en 35e Afdpalua) met in totaal negen batterijen. De 35e Afdpalua met haar batterijen was mobilisabel. Vanaf 1986 werd in navolging van de luchtmacht bij de landmacht de Flycatcher ingevoerd en de aanwezige 40L70 kanonnen gemoderniseerd naar 40L70G-standaard. Voor de Flycatcher/40L70G combinaties werden drie batterijen (105e, 115e en 125e) opgericht.
hcglvd.nl-/plaatjes/prtl_in_stelling.webp
PRTL tijdens een oefening (foto: Beeldbank NIMH)

Verdere ontwikkelingen 1991 – heden
Na het uiteenvallen van het Warschaupact in 1991 werden bij de krijgsmacht vele reorganisaties en bezuinigingen doorgevoerd. Bij de landmacht vond een reductie van de luchtdoelartillerie plaats tot één afdeling (25e Afdlua) met drie batterijen Flycatcher/40L70G en vijf batterijen pantserluchtdoelartillerie. De Luchtmobiele Brigade werd voorzien van STINGER-teams.
Niettegenstaande de bezuinigingen werd geïnvesteerd in nieuwe systemen en verbetering van bestaande systemen. Bij de landmacht werd in 2006 – 2009 het Army Ground Based Air Defence System (AGBADS) ingevoerd, bestaande uit TRML-radars en zes Norwegian Advanced Surface to Air Missile System (NASAMS) lanceerinrichtingen voor ieder zes AIM-120 AMRAAM raketten. Deze systemen werden ondergebracht bij de 11e en 13e Luchtverdedigingsbatterij. Ter vervanging van de PRTL en Flycatcher/40L70G werden in 2008 het Stinger Weapon Platform (SWP) Light (twee Stingers op een affuit in de laadbak van een Mercedes-Benz GD250) en het SWP Medium (vier Stingers op een Fennek onderstel) ingevoerd.

In 2006 vond een grote verhuizing van de luchtdoelartillerie plaats: waar deze tot dan toe geconcentreerd was in Ede, zou zij nu gelegerd worden op de Luchtmachtbasis De Peel waar zij ‘voordeurdeler’ werd met de Groep Geleide Wapens van de luchtmacht. In 2012 werd de luchtdoelartillerie samengevoegd met de Groep Geleide Wapens tot het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando.

Meer lezen over de geschiedenis van de grondgebonden luchtverdediging? Zie het boek 'Verenigd op de Grond, Daadkrachtig in de Lucht'. Verkrijgbaar in ons museum voor eur 25 incl. verzendkosten.

hcglvd.nl-/plaatjes/vodg_(002).webp

De Beeldbank van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie https://beeldbank.nimh.nl/ heeft een groot aantal historische foto's van de grondgebonden luchtverdediging. Maar kijk ook eens op: https://www.grondgebondenluchtverdediging.nl/fotoalbum/index.php?/categories